Lexicon

A

  • Armoede (vrijwillige)

    Vrijwillige armoede, is een van de geloften die een religieus aflegt als hij of zij intreedt. Deze komt voort uit  de drie raadgevingen die Jezus heeft gegeven om Hem na te volgen, naast  de volmaakte zuiverheid en de gehoorzaamheid.

    Vrijwillige armoede betekent dat een religieus afziet van eigen bezittingen. Inkomsten en bezittingen zijn voor de orde of congregatie en worden op die manier gezamenlijk gedeeld. Daarnaast betekent het dat religieuzen proberen sober te leven.

  • Abdij

    Klooster waar monniken, monialen of reguliere kannuniken leven onderleiding van een abt of abdis.

B

  • Broeder

    Zie ook frater

    Een broeder is lid van een religieuze orde of congregatie, die de geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid heeft afgelegd. In tegenstelling tot een pater heeft hij geen priesterwijding gehad.

  • Beschouwende orde

    Zie ook contemplatief

    Orde waarvan de leden zich bezighouden met de verzorging van de liturgie en het  koorgebed. De leefwijze binnen zo’n beschouwende,  orde wordt bepaald door een strikt gemeenschapsleven. Stilte, handenarbeid, studie en bezinning nemen in deze gemeenschap een belangrijke plaats in

  • Bedelorde

    Orde waarvan de regel niet slechts de individuele leden tot armoede verplicht, maar ook de kloostergemeenschap. Zij proberen te leven van wat ze krijgen. Tot de bedelorden, de mendicanten, behoren de minderbroeders, dominicanen, karmelieten en  augustijnen.

C

  • Convent

    Zie ook Klooster

    Gebouw waarin kloosterlingen van een bepaalde orde of congregatie een gemeenschappelijk leven leiden.

  • Congregatie

    Congregatie is afkomstig uit het Latijn en heeft verschillende betekenissen:

    1. Een kloostergemeenschap die door een bisschop is erkend en waarvan de leden eenvoudige geloften afleggen. De leden worden religieuzen genoemd en zijn te verdelen in zusters, broeders (fraters), en priesters (paters). Zij zijn actief in het maatschappelijke leven bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs, zorg voor zieken, armen en kwetsbaren.
    2.  Onderdeel van de pauselijke curie, ook wel dicasterie genoemd. Een congregatie is een soort ministerie, zoals de Congregatie voor  voor de Instituten van Godgewijd Leven en van de Gemeenschappen van Apostolisch Leven, die verantwoordelijk is voor het religieuze leven.

E

  • Evangelische raden

    Naam van de raadgevingen die Jezus heeft gegeven om Hem na te volgen. Het zijn: de vrijwillige armoede, de volmaakte zuiverheid en de gehoorzaamheid. Religieuzen verplichten zich door geloften tot het onderhouden van de evangelische raden.

H

  • Habijt

    Ook wel pij genoemd

    Lang bovenkleed dat door vrouwelijke en mannelijke kloosterlingen wordt gedragen. Aan de vormen en kleuren van het habijt kan men de orde of congregatie herkennen.

K

  • Klooster

    Gebouw waarin kloosterlingen van een bepaalde orde of congregatie een gemeenschappelijk leven leiden. Hier leven, bidden en werken zij.

N

  • Novice, Noviciaat

    Een novice is een kandidaat-religieus. Hij of zij is  als postulant aan zijn/haar vorming tot kloosterling begonnen. Hierna volgt een proefperiode van één of twee jaar = het noviciaat. Onder leiding van novicemeesters of –meesteressen onderzoeken de kandidaten hun geestelijke en lichamelijke geschiktheid voor het kloosterleven. Tijdens het noviciaat is men nog niet door geloften aan de orde of congregatie gebonden. De instelling waar deze proeftijd plaatsvindt, wordt ook noviciaat genoemd.

O

  • Orde

    Algemeen: Vereniging van personen die aan een bepaalde regel zijn gebonden

    Een geestelijke orde: De gemeenschap streeft naar volmaaktheid en leeft volgens de door de kerk goedgekeurde regel onder leiding van een overste in daartoe bestemde huizen (kloosters).

  • Overste

    Degene die de leiding heeft in een klooster. Verder wordt gesproken van generaal-overste (van de totale orde of congregatie) en van provinciaal-overste van een land of een deel ervan, als er meer provincies zijn.

    Tot de Hogere Oversten horen de Generaal (of Algemeen), Provinciaal en Regionaal Oversten.

P

  • Pater

    Latijn voor vader.

    Benaming voor een priester die lid is van een orde of congregatie.

  • Pij

    zie habijt

  • Prior, priorin

    In het Latijn: eerste

    In verschillende kloosters die geen abdij zijn, is dit de titel van de overste. In abdijen draagt de voornaamste helper en plaatsvervanger van de abt eveneens de titel van prior. In vrouwenkloosters heet de overste abdis of ‘priorin’.

  • Professie

    Het in het openbaar afleggen van de kloostergeloften. Deze professie vindt plaats nadat de nieuwe kloosterling(e) eerst postulante(e) en novice is geweest. Er is onderscheidt tussen de tijdelijke (kleine) en de eeuwige (grote) professie.

  • Provinciaal, provincialaat

    De Provinciaal of proviciaal overste is de overste die aan het hoofd staat van een provincie van een orde of congregatie. Hij of zij wordt door de generaal of generale overste aangewezen of door de leden van de orde of congregatie in die betreffende kloosterprovincie gekozen, meestal voor een periode van drie of vier jaar. Van oudsher vielen de grenzen van een provincie vaak samen met lands- of provinciegrenzen. Tegenwoordig zien we vaker dat provincies in Europa worden samengevoegd.

    Het provincialaat is het gebouw waar het de provinciaal overste en zijn/haar bestuur werken.

R

  • Recollectie

    Een godsdienstige oefening van gebed en bezinning, die op regelmatige tijden gedurende een halve of een hele dag wordt gehouden, in het bijzonder in kloosters en religieuzen instellingen.

  • Refter

    Eetzaal in een klooster

  • Rector, rectoraat

    Priester die als pastor werkzaam is in een niet-parochiële kerk (ziekenhuis, een bejaardenhuis of een kloosterkerk).
    Een rectoraatskerk is een kerk die toevertrouwd aan een priestercongregatie.

  • Religieus, religieuze

    Iedereen gekozen heeft te leven volgens de regel van een orde of congregatie. Er zijn priesterreligieuzen (paters), broeders (fraters) en zusters. Zij kunnen actief zijn buiten het klooster of tot een beschouwende orde behoren.

    Vaak wordt ook het woord kloosterling gebruikt

  • Regel

    Een regel is het geheel van voorschriften in een klooster, waarnaar de bewoners moeten leven. De regel bepaalt onder meer de dagindeling, de spiritualiteit, de werkzaamheden en de manier waarop het gebouw is ingericht.

    De regel van Pachomius

    Pachomius leefde van circa 287 tot 346 of 347. Zijn regel is de eerste in zijn soort van monniken die zich aaneengesloten tot een gemeenschap met een gemeenschappelijke leef- en gebedsruimte, met gelijkvormigheid in kleding en voedsel, en met één bepaalde spiritualiteit
    onder hetzelfde gezag. Als abt van het door hem rond 320 gebouwde klooster te Tabennisi (Opper-Egypte) heeft Pachomius door zijn klooster regel grote invloed uitgeoefend op de traditie van het latere monnikenleven in het Oosten en het Westen.

    De regels van Basilius

    Basilius werd in 330 in Caesarea in Cappadocië geboren, werd in 370 bisschop in zijn geboortestad en overleed aldaar in 379. In de regels voor het monnikenleven legde hij de nadruk op leven in een gemeenschap, op het liturgisch gebed en op handenarbeid. Binnen de regel kregen de monniken ruimte voor armenzorg en verpleging in zieken- en gasthuizen. Door de grote aandacht voor contemplatie beoogde Basilius een al te sterk activisme bij de monniken te voorkomen. Deze regels voor het monnikenleven worden nu nog door monniken in het Oosten onderhouden. De moderne katholieke kloostergemeenschap van ‘Fraternité de Jerusalem’ (St.-Gervais te Parijs) is gebaseerd op deze regels.

    De regel van Augustinus

    Augustinus (354-430), bisschop van Hippo, woonde met meerdere geestelijken samen in een soort kloostergemeenschap voor een leven van gebed, armoede, studie en zielzorg. De regel, uit zijn geschriften samengesteld, diende later als richtsnoer voor geestelijken die in een gemeenschap leefden. Hieruit ontstonden gemeenschappen van reguliere kanunniken, zoals norbertijnen en kruisheren. Ook sommige bedelorden, onder meer de augustijnen en dominicanen, namen de regel van Augustinus over.

    De regel van Benedictus

    Benedictus van Nurcia (+ 480-547), abt, stichter van de orde van de benedictijnen, heeft voor het schrijven van zijn regel waarschijnlijk op selectieve en creatieve wijze gebruik gemaakt van een anonieme regel, de zogeheten ‘Regula Magistri’. Zijn voornaamste bron vormde echter de bijbel, waarop hij steeds teruggreep. In zijn regel staat het zoeken naar God centraal. Door de regel leert de monnik steeds bewust in Gods tegenwoordigheid te leven zowel bij gebed als bij handenarbeid en studie. Hij zal in zijn ambt en zijn medebroeders God ontmoeten. Ten aanzien van de gasten, onder wie de armen, leert de regel: ‘Alle gasten die aankomen moeten worden ontvangen als Christus zelf, want Hij zal eens zeggen: “Ik kwam als gast en gij hebt Mij opgenomen”. (Regel hfst.53). het voornaamste kenmerk van de regel is de stabilitas loci, de verplichting om levenslang in het zelfde klooster te blijven. De regel kent geen onderscheid tussen clerici en lekenbroeders.

    De regel van Franciscus

    In zijn leefregel voor zijn volgelingen gaf Franciscus (1181-1226) vorm aan een nieuw type van ascetisch leven, dat afweek van het oudere monnikenleven, waarbij de monnik feodaal gebonden was aan de plaats. Franciscus realiseerde voor de bedelmonnik de armoede als een ongebonden-zijn aan enig aards bezit, individueel of gemeenschappelijk.

S

  • Scriptorium

    Afkomstig uit het Latijn

    Naam van het vertrek in het klooster waar handschriften werden vervaardigd of overgeschreven. Zij fungeerden tevens als schrijfscholen.

  • Seminarie, seminarium

    Afkomstig uit het Latijn.

    Opleidingsinstituut met internaat voor de opleiding tot katholiek geestelijke. Men onderscheidt het klein-seminarie, waar de opleiding van 12-18 jarigen wordt verzorgd, en het groot-seminarie, waar de religieuze, wetenschappelijke en pastorale vorming tot priester plaatsvindt. Hier worden doorgaans twee jaar aan de studie van filosofische vakken en vier jaar aan de studie van theologische disciplines gewijd.

    Tevens de naam voor het opleidingsinstituut voor predikanten.

  • Slot

    De ruimte van een klooster die is voorbehouden aan kloosterlingen en waarbinnen deze hun kloosterlijk leven leiden. Anderen worden hier niet toegelaten.

  • Slotzuster

    Zie ook monialen

    Kloosterzuster van een beschouwende orde die beloofd heeft haar leven in de enkel voor kloosterlingen bestemde ruimte te zullen leiden.

W

  • Werken van Barmhartigheid

    Zo worden diensten genoemd die je aan iemand in nood verleent uit liefde tot God. Er zijn lichamelijke werken en geestelijke werken. De lichamelijke werken worden genoemd in het evangelie volgens Matheus (25:35-37). Het zijn: de hongerigen eten geven, aan hen die dorst lijden te drinken geven, naakten kleden, vreemdelingen gastvrijheid verlenen, zieken bezoeken, gevangenen verlossen. Het begraven van de doden wordt in Mt 25:35-37 niet genoemd. Dit goede werk, dat in de dagen van de pest in de Middeleeuwen bijzondere nadruk kreeg, wordt in verband gebracht met het boek Tobit, waar de zorg voor de overledenen speciale aandacht krijgt (Tob 14:9, 11-13).

    Tot de geestelijke werken behoren: zondaars vermanen, onwetenden leren, raad geven in moeilijkheden, bedroefden troosten, onrecht ondergaan, beledigingen vergeven, voor elkander bidden.

    Paus Franciscus heeft enkele jaren geleden een achtste werk van barmhartigheid toegevoegd: Zorg voor de Schepping.

Z

  • Zuster

    Algemene naam van vrouwelijke kloosterlingen van een orde of congregatie.