Portretten

Wat is religieus leven vandaag? Deze vraag kan het beste beantwoord worden door de religieuzen zelf. Een aantal religieuzen stelden we de vraag: Broeder, zuster, wie ben je?
Hieronder leest u hoe zij deze vraag beantwoorden en wat zij zien als de kern van hun religieus zijn.

r Elisabeth Luurtsema Clarissen San DamianoZuster Elisabeth Luurtsema:Leef de vraag keer op keer

Zuster Elisabeth Luurtsema osc.leeft in Stadsklooster San Damiano te ’s-Hertogenbosch waar verschillende orden binnen de franciscaanse familie samen leven.

Vorig jaar ben ik plechtig geprofest. Een groots moment dat na jaren van vorming geen eindpunt is, maar een beginpunt, een begin met een fundament. Grootse woorden zijn uitgesproken, geloften zijn aangegaan. Ik heb er van geproefd wat het inhoudt, maar de werkelijke smaak zal stap voor stap geleefd worden. Steeds weer zal de vraag terugkomen: ‘Zuster, wie ben je?’ ‘Zuster’ omdat het me bepaalt bij de levensvorm waarvoor gekozen is. En het vervolg van de vraag: ‘Wie ben je’ om m’n roeping binnen deze vorm keer op keer te bevragen.

De huidige samenleving, die in sneltreinvaart van de ene naar de andere prikkel en impuls leeft, brengt mij steeds weer bij onze traditie die niet vluchtig is, maar een rijkdom in zich draagt die voor vandaag de dag van grote waarde is. Binnen de kloostermuren, maar vooral ook daarbuiten. De traditie die structuur, duidelijkheid en rust geeft. Gebed, lectio divina, meditatie, samen vieren, het zijn vaste pijlers die van waarde blijven om de verbinding met God en het leven te blijven voeden. Deze pijlers vragen erom om vandaag de dag in het licht gezet te worden, om met woorden en methodes van nu toegankelijk uitgelegd te worden, zodat de rijkdom er opnieuw van kan uitvloeien naar onze omgeving. Zo mag ik, met een maat die mij gegeven is, meditatie en gebed in het licht zetten door me te verbinden met de natuur die me leert dat je elkaar nodig hebt om te groeien, dat juist de verscheidenheid schoonheid tot z’n recht laat komen. Dat uit zich bij mij door bijvoorbeeld door natuurmandala’s te maken, ze dan te fotograferen om er vervolgens kaarten van te maken zodat het velen uitnodigt tot een verstild moment om te zien hoe mooi Gods gevarieerde schepping is.

Dat wat natuurmandala’s me laten zien, leef ik in Stadsklooster San Damiano. Een paar jaar geleden ben ik daar ingestapt. We leven er met vier franciscaanse ordes onder één dak. Met deze vier ordes hebben we de keuze durven maken om het te wagen ons leven te delen. We hebben een pad gekozen dat er nog niet was en waarvan we ook nog niet weten waar het ons brengen gaat. Toch is het nodig dit soort stappen ook te zetten, om nieuwe kansen en mogelijkheden te benutten. Om te onderzoeken wat wegen zijn die vruchtbaar zijn, niet alleen voor onszelf, maar vooral voor de samenleving van nu waarin we leven. Zo mag onze manier van leven hopelijk eenheid in verscheidenheid uitdragen. Enerzijds is er tussen de vier ordes onderling veel samenwerking in Stadsklooster San Damiano, anderzijds behoudt iedere orde het eigen charisma. Zo leven we als contemplatieven en actieven samen én naast elkaar. Een vorm die om veel overleg vraagt, die elkaar verrijkt, gebruik makend van elkaars sterke punten. Een uitdagend samenleven waardoor telkens de vraag in mij klinkt: ‘Zuster, wie ben je?’ Die terugkerende vraag kan ik alleen beantwoorden door de vraag in me mee te dragen en elke dag in dankbaarheid proberen te leven, met vallen en opstaan, met schuren en schitteren.

 

broeder Ignatius Maria broeders van Sint JanBroeder Ignatius Maria Ringhofer, Broeder, wie ben je?

Broeder Ignatius Maria is in 2000 ingetreden bij de Broeders van Sint Jan. Sinds 2009 leeft hij in Nederland, eerst in Den Haag en sinds 2012 in Utrecht. In Utrecht is hij pastoor van de H. Gerardus Majellaparochie.
Broeder, wie ben je? “Ik ben van God” zou ik zeggen. We spreken in de kerk over het “godgewijde leven”: deze uitdrukking zegt het goed volgens mij: aan God toegewijd zijn, voor God leven. Waarom ik in een klooster leef? Vanwege God. Vanwege Jezus Christus, door wie God voor mij een levend persoon is geworden met wie ik in relatie kan treden, met wie ik gemeenschap kan hebben. Fascinatie van Jezus zou je ook kunnen zeggen. Niet alleen: zo wil ik ook zijn! Meer nog: Kom, volg mij! In mijn leven ervoer ik een soort aantrekkingskracht, heel discreet, verborgen bijna – maar wel krachtig. Aangetrokken door het mysterie van God. En 20 jaar later is het er nog steeds … en God is nog steeds een mysterie, meer nog dan 20 jaar geleden.

Vanaf het begin was mijn roeping tot het kloosterleven verbonden met een missionair aspect. Geroepen om Christus zichtbaar te maken in deze wereld, het getuigenis van het habijt bijvoorbeeld: “Ik ben van God”. En dan het broederlijke leven. In eenvoud met elkaar leven, door ons samen leven een teken zijn van het koninkrijk van God … ook al blijkt het best lastig in de praktijk en vraag ik me soms af: zijn we niet eerder een tegen-getuigenis? En toch: het raakt mensen wanneer ze ons mannen zien samenleven. Iets van God die liefde is zichtbaar maken. Broeder, wie ben je? “Een broeder dus …!”

Je zou je kunnen afvragen: als je je aan God wilt toewijden – waarom in een klooster? Waarom dat gemeenschapsleven? Ik denk dat juist hier de grootste schat ligt van het kloosterleven: een relatie met God kan alleen gezond zijn als ze in gemeenschap wordt beleeft. Mensen zoeken vandaag spiritualiteit; ze geloven – maar dan zonder instituut. En overal vind je dan aanbod van meditatiecursussen voor je persoonlijke groei, en het blijkt ook nog vaak te helpen. Maar of je daardoor in een werkelijke gemeenschap met God komt? Ik vraag het me af.

Zelf ervaar ik de verbinding met de gemeenschap, en dus ook met het instituut als wezenlijk voor mijn toewijding. Dat is niet altijd leuk, maar het is wezenlijk als ik mijn geloof in een God die is mens geworden serieus wil nemen: God sprak toen en spreekt dus ook vandaag tot mij door mensen – de uitdaging van de gehoorzaamheid, en dan heel concreet tegenover je overste, je bisschop, …

Ik denk dat dit het punt is dat onze wereld, onze samenleving het meest nodig heeft: Niet zozeer onze spiritualiteit, maar het getuigenis van gemeenschap! We hebben geen tekort aan spiritualiteit, maar aan gemeenschap, zou ik zeggen. En dan een heel concrete, dagelijks geleefde, zichtbare – met God en de medebroeders.

 

Lisbeth Ratwasih
… met kloeke moed en op ‘t woord van mijn Geestelijke Leidsman, werp ik alle dagen ‘t net uit…

Zuster Lisbeth C. Ratwasih CB is afkomstig uit Indonesië en Regionaal Overste Liefdezusters v.d. H. Carolus Borromeus (Zusters Onder de Bogen)

Dat ik ben opgegroeid in een katholiek gezin in een omgeving waar moslims de meerderheid vormden was van grote betekenis voor mijn religieuze vorming. Hoewel de plaats waar ik woonde relatief vreedzaam en tolerant was, stelden mijn klasgenoten en de mensen uit mijn buurt toch vaak prikkelende vragen over mijn geloof. Daarom leerde ik zoveel mogelijk over het katholicisme. Ik was betrokken bij allerlei kerkactiviteiten, zoals het Legioen van Maria, een katholieke jeugdorganisatie, en ik was lector. Ik probeerde mijn eigen geloof te beschermen. Dat was mijn motivatie.

Het religieuze leven leerde ik kennen door enkele Indonesische en Nederlandse missionarissen die in mijn dorp werkten. Hun gelukkige, vruchtbare leven en liefde voor anderen maakten indruk en bewogen mij ook dit pad te gaan bewandelen. Deze ervaring is als een vonk die mijn hart verlichtte. Het maakte me onrustig maar in positieve zin. In gebed drong de roeping voor het religieuze leven zich steeds meer aan mij op. Het verlangen groeide en ik begon religieuze gemeenschappen te bezoeken. Op mijn twintigste trad ik in bij de Congregatie van de Liefdezusters van de H. Carolus Borromeus in Yogyakarta-Indonesië.

In de jaren die kwamen zette ik met vallen en opstaan mijn persoonlijke reis met God voort en ik deelde dezelfde roeping als mijn medezusters. Ik verliet mijn land en bleef de dieptes van mijn ziel onderzoeken door mijn gebeden, mijn ontmoetingen met allerlei soorten mensen in de gemeenschappen en door taken die me werden toevertrouwd. En nu ben ik hier, een Indonesische missionaris uitgezonden door de congregatie om mijn leiderschapskwaliteiten in te zetten in de Nederlandse Regio. Een regio die ons zeer dierbaar is, omdat onze congregatie 184 jaar geleden vanuit dit land is begonnen. Vanuit Nederland sloeg de congregatie de vleugels van haar hart uit over verschillende delen van de wereld en bracht er over alle grenzen heen de Blijde Boodschap aan onze broeders en zusters, speciaal aan hen die lijden en in nood verkeren.

Zoals veel andere congregaties in Europa verkeert deze regio op dit moment in de fase van voltooiing. Bij wijze van grap zei een van onze zusters tegen mij: “Ach, we zijn begonnen met Moeder Elisabeth, en we eindigen onze congregatie hier in Nederland met Lisbeth!”. Hoewel het klopt dat het aantal zusters kleiner en kleiner wordt en dat we ons meer dan ooit kwetsbaar voelen op allerlei vlakken, ben ik toch van mening dat het charisma en de inspiratie levend blijven, verrijkt en gerijpt door verschillende generaties. Sterker nog, ik geloof dat de Geest die onze stichteres heeft verlicht en in beweging heeft gebracht dezelfde Geest is die onze harten beweegt en vervult met passie, vreugde en een vruchtbaar leven. Dit is de nalatenschap die mij doet verdergaan… een charisma om te omhelzen, een spiritualiteit om door te geven en een missie om uit te voeren.

Voor mij betekent de breekbaarheid van het religieuze leven geen tragedie of droefheid. Met de ogen van het geloof zie ik en ervaar ik hoe God ons kneedt en vormt en nieuw maakt. Hij roept ons de duisternis in ons leven, onze onzekerheden, angsten en teleurstellingen te omarmen. Want Gods kracht en genade zijn juist volkomen in zwakheid (cf. 2 Korinthe 12,9). Ik wil graag afsluiten met de tekst van onze stichteres Elisabeth Gruyters die mijn spirituele reis verwoordt:

“Want ik zit al veel liever van tijd tot tijd bij mijn lieve, vermoeide Jezus aan de bron van Jakob zoals de Samaritaanse vrouw (Johannes 4) en dan zeg ik hem dikwijls: ‘Heer… ik dorst… geef mij van dat levendmakende water.’ Maar helaas, ik heb mijn wittebrood reeds gegeten. Ik zweef nu in de donkere nacht, maar met kloeke moed werp ik, op het woord van mijn Geestelijke Leidsman, alle dagen het net uit.
Dat de naam des Heeren gezegend zij, tot in de eeuwen der eeuwen, amen.” (EG 140)

 

Broeder Gerard Mathijsen, Abdij van Egmond

Broeder Gerard Mathijsen
Fermentum: gist dat het deeg doet rijzen

Broeder Gerard Mathijsen (1937) is benedictijn in de Sint-Adelbertabdij van Egmond-Binnen. Van 1984 tot 2020 was hij daar abt.

In de ruim 60 jaar van mijn leven als monnik is er veel gebeurd en veel veranderd. Wat bleef was het dagelijkse koorgebed, in vereniging met alle gebeden wereldwijd, en voor alle noden van onze wereld. Wat bleef was de verbondenheid met eigen broeders in een monastieke gemeenschap, en met een wijde kring van betrokken mensen. Daarin probeer ik nog iedere dag een bescheiden steentje bij te dragen, mij steeds meer bewust veel meer te ontvangen dan ik vermag te geven. In een tijd van transitie zoals de onze zijn er altijd mensen met een nostalgisch verlangen naar een verleden dat zij als ideaal zien, en anderen voor wie de ontwikkelingen te langzaam gaan. Zelf waardeer ik het vòòrconciliaire tijdperk nog even te hebben geproefd, maar zonder daaraan nostalgische herinneringen te koesteren. De tijd was rijp voor veranderingen. Nog minder rammel ik aan de hekken die de toekomst die voor ons ligt gesloten houden. Vernieuwing van ons leven moet geen eigen maaksel zijn, maar vrucht van de Geest, voortkomend uit de bekering waartoe het evangelie uitnodigt. “Luister” is het eerste woord van de Regel voor monniken. “Luister” naar de uitdagingen van deze tijd, waarin de mens op zoek is naar zijn ziel, op zoek naar zin. De uitdagingen van nu begrijpen en beantwoorden, in dankbaarheid en vertrouwen.

De maatschappij waarin wij leven is vol spanning en onrust, er is angst en woede. Een abdij heeft de roeping te midden van dat alles een plaats van vrede te zijn, een verwijzing naar de liefde en de zorg van de Eeuwige, een stamelend antwoord op zijn goedheid, met hart en ziel verbonden met onze broeders en zusters dichtbij en veraf. In onze tijd ontdekken wij ook meer dan voorheen het belang van een goed gebruik van de materie, onze opdracht om de natuur niet uit te buiten maar met eerbied en zorg te beheren. De monniken vertrouwen bij dat alles niet op eigen kracht, maar steunen op de inspiratie van hun voorgangers en zoeken de samenspraak met tijdgenoten. Hun voornaamste levensbron is de viering van de eucharistie. Deze viering van de eucharistie is door de liturgische vernieuwingen na Vaticanum II aanzienlijk vereenvoudigd en transparanter gemaakt. In een detail van de viering vind ik dat treffend uitgedrukt. Alvorens te communiceren voltrekt de priester de fractio en de commixtio, waarbij de celebrant een klein stukje van het geconsacreerde brood in de kelk laat vallen. Dit is een oeroude ritus waarvan verschillende verklaringen worden gegeven. Oorspronkelijk zou het gaan om een partikel, een stukje van het heilig brood dat de bisschop deed toekomen aan de priesters in zijn diocees en aan de bisschoppen met wie hij communio onderhield, en dat gebruikt werd in een volgende Mis, om zodoende de continuïteit van het éne offer aan te geven. Verbondenheid door de tijd heen, met verleden en toekomst, en met tijdgenoten, medegelovigen, medepelgrims. Wat in deze ritus wordt uitgedrukt, en voor een deel mysterie blijft, is wat mij trekt en boeit in het leven als monnik. Het besef samen op weg te zijn, deel te mogen uitmaken van de gemeenschap die Jezus met zich verenigt, wereldwijd, en erfgenaam van de verworvenheden van voorbije generaties, niet overgeleverd aan de waan van de dag. Gedragen door een traditie, maar tevens pelgrim naar een onbekende toekomst, geleid door het Woord van de Schrift en in de verbondenheid van de éne Kerk. Zo geven we het gist voor het dagelijks brood weer door.