Lexicon

In het leven van religieuzen spelen tal van zaken - materieel en immaterieel - een rol, die worden aangeduid met specifieke woorden en begrippen. Dat verschijnsel wordt ook wel 'vakjargon' genoemd en je komt het in vrijwel elke beroepsgroep tegen. In onderstaande lijst worden speciaal die begrippen toegelicht, die essentieel zijn voor een beter begrip van de wereld van religieuzen.

Alle omschrijvingen zijn ontleend aan Van Aartsbisschop tot Zonnelied. Sleutels tot het katholiek erfgoed. Auteur: Mathieu Spiertz (SUN, 1998).

Ook elders kun je veel uitleg vinden van typisch katholieke begrippen, bijvoorbeeld in de encyclopedie op de site van katholiek nederland. Een lijst van vaak gebruikte afkortingen vindt u elders op deze website.

Abdij

Klooster waar monniken, monialen of reguliere kannuniken leven onderleiding van een abt of abdis.

Bedelorden

Orde waarvan de regel niet slechts de individuele leden tot armoede verplicht, maar ook de kloostergemeenschap. Tot de bedelorden, de mendicanten, behoren de minderbroeders, dominicanen, karmelieten en  augustijnen.

Beschouwende orde

Orde waarvan de leden zich bezighouden met de verzorging van de liturgie en het  koorgebed. De leefwijze binnen zo’n beschouwende, contemplatieve orde wordt bepaald door een strikt gemeenschapsleven. Stilte, handenarbeid, studie en bezinning nemen in deze gemeenschap een belangrijke plaats in.

Broeder

De broeder is een niet-gewijd lid van een religieuze orde of congregatie, die de geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid heeft afgelegd.

Congregatie (Lat.)

1.Kloostergemeenschap die door een bisschop is erkend en waarvan de leden eenvoudige geloften afleggen. De leden worden religieuzen genoemd en zijn te verdelen in zusters broeders (fraters), en priesters (paters). Zij houden zich vooral bezig met onderwijs, ziekenverpleging, bejaarden- en armenzorg. 2. Onderdeel van de pauselijke curie. 3. Godsdienstige vereniging. Zie ook: Broederschap.

Convent (Lat.)-zie Klooster.

Klooster

Gebouw waarin kloosterlingen van een bepaalde orde of congregatie een gemeenschappelijk leven leiden om aldus beter de evangelische volmaaktheid te kunnen bereiken.

Evangelische raden

Naam van de raadgevingen die Jezus heeft gegeven om Hem na te volgen. Het zijn: de vrijwillige armoede, de volmaakte zuiverheid en de gehoorzaamheid. Religieuzen verplichten zich door geloften tot het onderhouden van de evangelische raden.

Frater, fraters, of fratres (Lat.)

1. Niet-gewijd religieus die in een orde of congregatie de geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid heeft afgelegd. 2. Priesterstudent in de theologie die lid is van een religieuze orde of congregatie.

Fraterniteit

1. Broederschap. 2. Gemeenschap die wordt gevormd door mannelijke bewoners van een klooster.

FIN
Vereniging van Fondsen in Nederland

Gelofte

Een vrijwillig aan God afgelegde belofte waarbij men zich tot een zekere handeling verplicht. Bij de toetreding tot een orde of congregatie belooft de kandida(a)t(e) de levensregel en de evangelische raden te onderhouden. Hiertoe legt zij of hij bij de kloosterlijke professie na het noviciaat eerst de tijdelijke geloften af van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid, bijvoorbeeld voor drie jaar. Daarna worden, bij gebleken geschiktheid voor het kloosterleven, de eeuwige geloften afgelegd. Deze kunnen slechts met dispensatie van de Heilige Stoel worden ontbonden.

Getijden van het koorgebed

De uren waarop het koorgebed moet worden verricht. Ook voor het koorgebed zelf gebruikt men het woord getijden. De acht getijden zijn: metten, lauden, prime, terts, sexten, none of noon, vespers en completen. Zie ook: Koorgebed.

Habijt (Lat.)

Lang bovenkleed dat door vrouwelijke en mannelijke kloosterlingen wordt gedragen, onder andere door augustijnen, benedictijnen, dominicanen, minderbroeders, trappisten, benedictinessen, karmelitessen en clarissen.

Klein brevier (Lat.)

Vereenvoudigde uitgave van de officiële teksten van het koorgebed, samengesteld voor het gebruik door religieuzen en door leken.

Klein Officie

Vorm van brevier, speciaal voor leden van zuster- en broedercongregaties van de Derde Orde. Iedere dag werden vrijwel dezelfde teksten gelezen, zij het met wijzigingen in bijv. vasten en advent. Na de invoering van het Kleinbrevier is het Klein Officie, ook wel Maria-officie genoemd, in onbruik geraakt.

Klooster (Lat.)

Gebouw waarin kloosterlingen van een bepaalde orde of congregatie een gemeenschappelijk leven leiden om aldus beter de evangelische volmaaktheid te kunnen bereiken.

Kloostergang

Overdekte, veelal gewelfde gang of galerij rond de binnenhof van kloosters en abdijen, meestal aansluitend bij de kerk. De kloostergang verbindt de verschillende kloostergebouwen.

Kloostergeloften – zie Evangelische raden.

 

Kloosterorde

Religieuze gemeenschappen die door de paus zijn erkend. De leden leggen de plechtige geloften af van armoede, gehoorzaamheid en kuisheid. Zij komen voor binnen de katholieke en angelicaanse kerk.

Koorgebed

Het dagelijks en gezamenlijke bidden van de getijden door kanunniken monniken of monialen en andere groeperingen van religieuzen. De onderdelen van het koorgebed zijn gebonden aan bepaalde, vaste uren van de dag en de nacht. Zie ook: Getijden van het koorgebed.

Lekenbroeder

Benaming voor die leden van een orde of congregatie die wel de geloften afleggen, maar niet tot priester zijn gewijd. Zie ook: Broeder; Frater.

Lekenzuster

Benaming voor een vrouwelijke religieuze die bij haar intrede in de orde geen dote, dat wil zeggen geen bruidsschat (onroerend goed of een geldbedrag) had meegebracht en niet gestudeerd had. Zij nam ook niet deel aan het koorgebed, en in plaats van het brevier bad zij een aantal Onze Vaders. Zij vervulde in het klooster doorgaans taken van huishoudelijke aard.
Zie ook: Cisterciënzerinnen.

Moederhuis

De eerste of voornaamste stichting van een orde of congregatie van waaruit de andere kloosters zijn gesticht.

Moeder-overste

Overste van een klooster, orde of congregatie van vrouwen.

Monialen (Lat.)

Vrouwelijke kloosterlingen van een orde, meestal slotzusters, die het koorgebed bidden. Slotzusters hebben zich door plechtige eeuwige geloften verbonden binnen het slot te zullen leven, dat wil zeggen: binnen dat gedeelte van het klooster dat alleen voor kloosterlingen toegankelijk is.

Novice (Lat.)

Iemand die verzoekt in een klooster opgenomen te mogen worden als lid van de kloostergemeenschap.

Novicemeester (es)

Geestelijk leidsman of leidsvrouwe van novicen.

Noviciaat

Een door het kerkelijk wetboek voorgeschreven proeftijd voor kandidaat-religieuzen, novicen. Deze zijn als postulanten aan hun vorming tot kloosterling begonnen. Hierna volgt een proefperiode van één of twee jaar. Onderleiding van novicemeesters of –meesteressen worden de kandidaten verzocht op hun geestelijke en lichamelijke geschiktheid voor het kloosterleven. Tijdens het noviciaat is men nog niet door geloften aan de orde of congregatie gebonden. De instelling waar deze proeftijd plaatsvindt, wordt ook noviciaat genoemd.

Obediëntie (lat.)

1.Gehoorzaamheid die een kloosterling verplicht is aan zijn overste. 2. Brief die een kloosterling op reis meekrijgt. Op vertoon hiervan wordt hem gastvrijheid in een ander klooster verleend.

Orde (lat.)

Vereniging van personen die aan een bepaalde regel zijn gebonden: 1. Een geestelijke orde. De gemeenschap streeft naar volmaaktheid en leeft volgens de door de kerk goedgekeurde regel onder leiding van een overste in daartoe bestemde huizen (kloosters). 2. Een ridderorde: bepaalde vereniging van geestelijke of wereldlijke ridders. 3. De Tweede Orde. 4. De Derde Orde.

Overste

Degene die de leiding heeft in een klooster. Verder wordt gesproken van generaal-overste (van de totale orde of congregatie) en van provinciaal-overste van een land of een deel ervan, als er meer provincies zijn.

Pater (Latijn=vader)

Benaming voor een priester die lid is van een orde of congregatie.

Pij- zie Habijt.

 

Habijt (Lat.)

Lang bovenkleed dat door vrouwelijke en mannelijke kloosterlingen wordt gedragen, onder andere door augustijnen, benedictijnen, dominicanen, minderbroeders, trappisten, benedictinessen, karmelitessen en clarissen.

Prior (Latijn; de eerste)

In verscheidene kloosters die geen abdij zijn, titel van de overste. In abdijen draagt de voornaamste helper en plaatsvervanger van de abt eveneens de titel van prior. In vrouwenkloosters heet de overste abdis of ‘priorin’. Zie ook: Bedelorden.

Professie (Lat.)

Het in het openbaar afleggen van de kloostergeloften. Deze professie vindt plaats nadat de nieuwe kloosterling(e) eerst postulante(e) en novice is geweest. Men onderscheidt de tijdelijke (kleine) en de eeuwige (grote) professie.

Provinciaal (Lat.)

Overste die aan het hoofd staat van een provincie van een orde of congregatie. Hij of zij wordt door de generaal of generale overste aangewezen of door de leden van de orde of congregatie in die betreffende kloosterprovincie gekozen, meestal voor een periode van drie of vier jaar. De grenzen van een kloosterprovincie vallen in Europa doorgaans samen met de grenzen van een land.

Recollectie (Lat.)

Een godsdienstige oefening van gebed en bezinning, die op regelmatige tijden gedurende een halve of een hele dag wordt gehouden, in het bijzonder in kloosters en religieuzen instellingen.

Rector (Latijn=bestuurder)

Priester die zielzorg uitoefent in een niet-parochiële kerk (ziekenhuis, een bejaardenhuis of een kloosterkerk).

Refter (Lat.)

Eetzaal in een klooster.

Regel (Lat.)

Geheel van voorschriften voor leden van een orde of van een congregatie. De belangrijkste regels zijn:

    De regel van Pachomius
Pachomius leefde van circa 287 tot 346 of 347. Zijn regel is de eerste in zijn soort van monniken die zich aaneengesloten tot een gemeenschap met een gemeenschappelijke leef- en gebedsruimte, met gelijkvormigheid in kleding en voedsel, en met één bepaalde spiritualiteit
onder hetzelfde gezag. Als abt van het door hem rond 320 gebouwde klooster te Tabennisi (Opper-Egypte) heeft Pachomius door zijn klooster regel grote invloed uitgeoefend op de traditie van het latere monnikenleven in het Oosten en het Westen.

    De regels van Basilius
Basilius werd in 330 in Caesarea in Cappadocië geboren, werd in 370 bisschop in zijn geboortestad en overleed aldaar in 379. In de regels voor het monnikenleven legde hij de nadruk op leven in een gemeenschap, op het liturgisch gebed en op handenarbeid. Binnen de regel kregen de monniken ruimte voor armenzorg en verpleging in zieken- en gasthuizen. Door de grote aandacht voor contemplatie beoogde Basilius een al te sterk activisme bij de monniken te voorkomen. Deze regels voor het monnikenleven worden nu nog door monniken in het Oosten onderhouden. De moderne katholieke kloostergemeenschap van 'Fraternité de Jerusalem' (St.-Gervais te Parijs) is gebaseerd op deze regels.

    De regel van Augustinus
Augustinus (354-430), bisschop van Hippo, woonde met meerdere geestelijken samen in een soort kloostergemeenschap voor een leven van gebed, armoede, studie en zielzorg. De regel, uit zijn geschriften samengesteld, diende later als richtsnoer voor geestelijken die in een gemeenschap leefden. Hieruit ontstonden gemeenschappen van reguliere kanunniken, zoals norbertijnen en kruisheren. Ook sommige bedelorden, onder meer de augustijnen en dominicanen, namen de regel van Augustinus over.

     De regel van Benedictus
Benedictus van Nurcia (+ 480-547), abt, stichter van de orde van de benedictijnen, heeft voor het schrijven van zijn regel waarschijnlijk op selectieve en creatieve wijze gebruik gemaakt van een anonieme regel, de zogeheten 'Regula Magistri'. Zijn voornaamste bron vormde echter de bijbel, waarop hij steeds teruggreep. In zijn regel staat het zoeken naar God centraal. Door de regel leert de monnik steeds bewust in Gods tegenwoordigheid te leven zowel bij gebed als bij handenarbeid en studie. Hij zal in zijn ambt en zijn medebroeders God ontmoeten. Ten aanzien van de gasten, onder wie de armen, leert de regel: 'Alle gasten die aankomen moeten worden ontvangen als Christus zelf, want Hij zal eens zeggen: "Ik kwam als gast en gij hebt Mij opgenomen". (Regel hfst.53). het voornaamste kenmerk van de regel is de stabilitas loci, de verplichting om levenslang in het zelfde klooster te blijven. De regel kent geen onderscheid tussen clerici en lekenbroeders.

    De regel van Franciscus
In zijn leefregel voor zijn volgelingen gaf Franciscus (1181-1226) vorm aan een nieuw type van ascetisch leven, dat afweek van het oudere monnikenleven, waarbij de monnik feodaal gebonden was aan de plaats. Franciscus realiseerde voor de bedelmonnik de armoede als een ongebonden-zijn aan enig aards bezit, individueel of gemeenschappelijk.

Regulieren

Geestelijken die tot een religieuze orde of congregatie behoren.

Religieus, religieuze (Lat.)

1. Betrekking hebbend op de godsdienst. 2. Godsdienstig. 3. Ieder die met een beroep op
het evangelie gekozen heeft te leven volgens de regel van een orde of congregatie. Men kan religieuzen onderscheiden in: priesters (paters), broeders (fraters) en zusters. Zij kunnen actief zijn buiten het klooster of tot een beschouwende orde behoren.

Scholasticaat

Naam van een kloosterschool onder leiding van reguliere priesters. Hier ontvangen seminaristen die reguliere priester willen worden hun filosofisch en theologisch onderwijs.

Scriptorium (Lat.)

Naam van het vertrek in het klooster waar handschriften werden vervaardigd of overgeschreven. Zij fungeerden tevens als schrijfscholen.

Seminarie, seminarium (Lat.)

1. Opleidingsinstituut met internaat voor de opleiding tot katholiek geestelijke.
Men onderscheidt het klein-seminarie, waar de opleiding van 12-18 jarigen wordt verzorgd, en het groot-seminarie, waar de religieuze, wetenschappelijke en pastorale vorming tot priester plaatsvindt. Hier worden doorgaans twee jaar aan de studie van filosofische vakken en vier jaar aan de studie van theologische disiplines gewijd.
2. Opleidingsinstituut voor predikanten.

Slot

De ruimte van een klooster die is voorbehouden aan kloosterlingen en waarbinnen deze hun kloosterlijk leven leiden en waar anderen niet worden toegelaten.

Slotzuster

Kloosterzuster van een beschouwende orde die beloofd heeft haar leven in de enkel voor kloosterlingen bestemde ruimte te zullen leiden.
Zie ook: Monialen.

Werken van Barmhartigheid

Benaming voor diensten die men de naaste in nood verleent uit liefde tot God. Men onderscheidt: lichamelijke werken en geestelijke werken. Onder de lichamelijke werken vallen, volgens Mt. 25:35-37: de hongerigen eten geven, aan hen die dorst lijden te drinken geven, naakten kleden, vreemdelingen gastvrijheid verlenen, zieken bezoeken, gevangenen verlossen. Het begraven van de doden wordt in Mt 25:35-37 niet genoemd. Dit goede werk, dat in de dagen van de pest in de Middeleeuwen bijzondere nadruk kreeg, wordt in verband gebracht met het boek Tobit, waar de zorg voor de overledenen speciale aandacht krijgt
(Tob 14:9, 11-13). Tot de geestelijke werken behoren: zondaars vermanen, omwetenden leren, raad geven in moeilijkheden, bedroefden troosten, onrecht ondergaan, beledigingen vergeven, voor elkander bidden.

Zuster

Algemene naam van vrouwelijke kloosterlingen van een orde of congregatie.

Bron: Van Aartsbisschop tot Zonnelied. Sleutels tot het katholiek erfgoed.
Mathieu Spiertz. SUN, 1998

 

Zie ook de encyclopedie van katholiek Nederland