Religieuze instituten en
sociëteiten van apostolisch leven
van diocesaan recht

A. Instituten met hoofdzetel in Nederland

Sinds maart 2015 gelden de Richtlijnen voor het bestuur en beheer van de goederen van Diocesane Instituten van Gewijd Leven en Sociëteiten van Apostolisch Leven met de hoofdzetel in Nederland wanneer er geen leden meer zijn die deze taken kunnen vervullen vanwege het afnemend aantal of de gevorderde leeftijd. Deze lange titel geeft precies aan waar het document over gaat:

  • bestuur
  • beheer van tijdelijke goederen
  • van religieuze instituten en sociëteiten van apostolisch leven van diocesaan recht
  • met de hoofdzetel in Nederland
  • die te kampen hebben met afnemend ledental en hoge leeftijd van de leden

De Richtlijnen geven een beeld van hoe de Heilige Stoel de voltooiing van deze instituten ziet. In de eerste plaats gaan ze over het bestuur. Ze zijn uitgevaardigd als een correctie op een situatie waarin niet-leden van deze instituten bestuurlijke verantwoordelijkheid hadden gekregen. Het is duidelijk dat de Heilige Stoel eraan hecht dat alleen religieuzen en clerici eindverantwoordelijkheid mogen krijgen in religieuze instituten.

Naast het bestuur krijgt het beheer van tijdelijke goederen veel aandacht in de Richtlijnen. Hierbij krijgt het bisdom waar de hoofdzetel van het instituut gevestigd is, een grote rol toebedeeld. Het bisdom moet de grote lijnen bepalen, en is verantwoordelijk voor het toezicht. De algemene regel is: het vermogen van religieuze instituten is kerkelijk vermogen, en het moet zo veel mogelijk binnen de kerkelijke sfeer blijven. Wanneer het weggegeven wordt, moet dat, als het even kan, aan een kerkelijke instelling zijn.

In de tekst hieronder worden de Richtlijnen samengevat. De werkelijke tekst van de Richtlijnen is uiteraard bepalend.

Het organiseren van een goed bestuur

De Richtlijnen onderscheiden vijf situaties:

  1. De normale situatie, waarin het bestuur geheel gevormd wordt door leden van het instituut. De KNR adviseert deze situatie zo lang mogelijk te handhaven, maar er dan wel voor te zorgen dat de Overste en Raad zich laten bijstaan door deskundige en betrouwbare adviseurs en medewerkers. Als een instituut op zoek is naar goede adviseurs, kan de Overste navraag doen bij de KNR. Voor mensen die in dienst worden genomen, heeft de KNR een rechtspositiereglement, waarin ook functieomschrijvingen staan.
  2. Als het niet meer mogelijk is een Econoom of Econome te benoemen vanuit de eigen gelederen, openen de Richtlijnen de mogelijkheid om iemand van buitenaf te benoemen. Als de Constituties het niet toelaten dat iemand van buiten het instituut wordt benoemd, moet de Overste toestemming vragen aan de Bisschop van de hoofdzetel.
  3. Als de leden van de Raad niet meer in staat zijn de Overste bij te staan in financiële zaken, kan de Overste aan de Bisschop van de hoofdzetel vragen twee Financieel Deskundigen te benoemen. Deze treden niet op als Econoom, maar als adviseur van de Overste in financiële zaken. Bij alle financiële kwesties waar de Overste volgens de eigen regels haar/zijn Raad moet raadplegen, moet de Overste dat nu bij de Financieel Deskundigen doen. Het is het beste als de Overste en de Raad zelf mensen voordragen, die zij al kennen en die het instituut kennen. Deze Financieel Deskundigen krijgen hun benoeming en hun mandaat van de Bisschop, dus niet van de Overste. Dat betekent dat de Overste soms met de Bisschop moet onderhandelen om tot een goed mandaat te komen.
  4. Als het helemaal niet meer mogelijk is een Raad samen te stellen, moet de Overste de Bisschop van de hoofdzetel vragen één of meer Assistenten te benoemen. Deze vervullen de taken die het universeel recht en de Constituties aan de leden van de Raad toebedelen. Ook hier geldt dat het de voorkeur heeft om zelf Assistenten te zoeken. Ook de Assistenten ontvangen hun benoeming en mandaat van de Bisschop.
  5. Wanneer het tenslotte niet meer mogelijk is om een Overste te kiezen uit de eigen leden, moet er een Administrator worden benoemd. Deze heeft de taken van Overste en Raad. Op zich kan de Administrator alleen opereren, maar het is meestal verstandig om enkele mensen in te schakelen die het instituut goed kennen. De Administrator wordt benoemd door de Bisschop van de hoofdzetel.

Wie komen in aanmerking voor deze functies? De Richtlijnen gaan daar niet heel uitgebreid op in. De Financieel Deskundigen moeten naast deskundig ook goed katholiek zijn. Over de Assistenten wordt niets vermeld. De Administratoren moeten ofwel religieuzen zijn of clerici (priester, diaken). Bij instituten van vrouwelijke religieuzen heeft een vrouwelijke religieuze de voorkeur. In principe stopt de benoeming van een Financieel Deskundige, Assistent of Administrator bij het bereiken van de leeftijd van 75 jaar. Personen die in de Curie van het bisdom van de hoofdzetel werkzaam zijn, komen in principe niet in aanmerking.

Het beheer van de tijdelijke goederen

Een groot deel van de Richtlijnen gaat over het beheer van tijdelijke goederen. Wanneer er geen normaal bestuur meer te vormen is in een religieus instituut van diocesaan recht, krijgt de Bisschop van de hoofdzetel een belangrijke stem in het beheer van de tijdelijke goederen:

  • Begroting en jaarrekening moeten door hem worden goedgekeurd.
  • Als er een Administrator is, moet de bisschop toestemming geven voor handelingen van buitengewoon beheer.
  • De Bisschop stelt normen vast voor het beheer van de goederen, die recht doen aan het feit dat het kerkelijke goederen zijn.
  • De Bisschop stelt een maximum bedrag vast voor schenkingen, en beoordeelt of de schenkingen voldoen aan de normen die voor kerkelijke goederen gelden.
  • Wanneer een Algemeen Kapittel beslissingen neemt over de bestemming van de goederen en vermogensrechten van het instituut die een verandering of aanvulling van de Constituties inhouden, moeten deze beslissingen door de Bisschop van de hoofdzetel worden goedgekeurd.

B. Instituten met hoofdzetel buiten Nederland

Niet alle instituten van diocesaan recht hebben hun hoofdzetel in Nederland. Dit betekent dat de Richtlijnen op hen niet van toepassing zijn. Hun situatie is in grote lijnen vergelijkbaar met de kleine pauselijke instituten. Als er een vitale provincie is buiten Nederland, kunnen ze waarschijnlijk rekenen op hulp vanuit die provincie; als dat niet zo is, moet het instituut als geheel werken aan voltooiing. Zie voor nadere informatie hierover de pagina over kleine internationale instituten.

 

 

 

 

 

 

 

pauselijke sleutelsRichtlijnen Diocesane Instituten in Nederland