Charisma

Het charisma van een instituut of sociëteit is, zo lang het bestaat, de centrale richtlijn van handelen. Ook wanneer alle leden op hoge leeftijd zijn, is het de moeite waard het charisma vorm te geven. Dit kan gebeuren in:

  1. gemeenschapsleven
  2. vieren en herdenken
  3. apostolaat
  4. het organiseren van pastorale zorg

De leden moeten zo lang mogelijk met elkaar blijven praten over deze zaken. Het is een voorname taak van oversten om dat mogelijk te maken.

1. Gemeenschapsleven

Religieus leven is gemeenschapsleven. Er moet zorg besteed worden aan de kwaliteit daarvan. Leden zullen diverse verwachtingen hebben van communiteitsleven: de lichamelijke en geestelijke mogelijkheden lopen uiteen, de een is meer op zelfstandigheid gesteld dan de ander, de intensiteit van het gebedsleven verschilt. Het communiteitsleven moet de leden tot hun recht laten komen en hen in staat stellen als religieuzen te leven.

De huisvesting moet gemeenschapsleven mogelijk maken. Het komt voor dat kloostergemeenschappen die niet meer in een eigen huis leven, geen gemeenschappelijke ruimte meer hebben die voor hen gereserveerd is. Een dergelijke situatie moet vermeden worden.

Communiteiten kunnen ondersteund worden van buitenaf. Deze ondersteuning kan zowel liggen op het vlak van het leiding geven aan het communiteitsleven, als op het vlak van het omgaan met de moeilijkheden van de hoge leeftijd van de leden van de gemeenschap. Op diverse plaatsen is er een communiteitsleid(st)er of coördinator kloostergemeenschap of communiteitsleid(st)er in dienst genomen en/of een of meer contactpersonen religieuzen. Beschrijvingen van deze functies staan in de:

Bijlage Functies externe ondersteuning; nummers 21 en 22

2. Vieren en herdenken

Feesten en gedenkdagen zijn het waard om te vieren. Professiejubilea, herdenking van de stichter(es) en van belangrijke momenten uit de geschiedenis van het instituut, geven voeding aan het charisma. Het zijn momenten waarop de eigenheid van het instituut in herinnering kan worden geroepen.

De vele publicaties en de geestelijke testamenten die diverse instituten het licht hebben doen zien, passen hier ook in.

3. Apostolaat

Vaak is het apostolaat traditioneel de sterkste uitdrukking van het charisma. Het afstoten van de oude werken kan dan tot het gevoel leiden dat er iets fundamenteels ontbreekt. Het is daarom de moeite waard te onderzoeken of er nog steeds iets mogelijk is op dit terrein.

Dit vraagt wat creativiteit. Zo kan men zich blijven informeren over de actualiteit in onderwijs of zorg, waar het instituut voorheen in werkte. Denk aan het kritisch volgen van wat er in de zorgsector gebeurt. Binnen de instituten zit een schat aan ervaring.

Ook het geven van geld aan goede doelen kan verbonden worden met het charisma. Dat vraagt om een goede onderscheiding. Niet elk goed doel past bij elk instituut. Hoe bewuster het instituut geeft, hoe beter het zijn charisma kan uitdrukken in het giftenbeleid.

4. Het organiseren van pastorale zorg

Pastorale zorg is voor een klooster geen franje, maar noodzaak. Daarbij gaat het zowel om pastorale begeleiding van de gemeenschap en van de individuele leden, als om het verzorgen van liturgie/eucharistie.

Het tekort aan pastores, dat overal in het land geldt, doet zich ook voor in de kloosters. Daarbij is het niet vanzelfsprekend dat de zorginstellingen, waar de oudste en zieke leden terecht komen, blijvend die pastorale zorg zullen garanderen. Hierover moet men goede afspraken maken.

Wanneer het religieus instituut in een fase van grote verandering zit, zoals verhuizing of het afstoten van een deel van het eigen klooster, is het belangrijk te proberen de pastorale zorg voor lange tijd goed te organiseren. Samenwerking met religieuze instituten in de buurt kan zinvol zijn.

Naast een priester, die nodig is voor de eucharistie, kan gedacht worden aan een pastoraal of theologisch werk(st)er. Van deze laatste staat een functiebeschrijving in:

Bijlage Functies externe ondersteuning; nummer 23