Kunnen niet-priesters leidende posities krijgen in kloosterorden?

Gepubliceerd op: 24-4-2017 om 16:45 door eh / Denis Hendrickx. Bron: katholiek.nl / cruxnow.com

HEESWIJK - Kan een niet-priester overste zijn van een Religieus Instituut met priesterreligieuzen? Met deze vraag gingen de generale oversten van vier Franciscaanse instituten naar paus Franciscus.

De generale oversten van de minderbroeders franciscanen, de minderbroeders conventuelen, de capuncijnen en de reguliere derde orde van de franciscanen waren op audiëntie bij de paus. Ze spraken daar o.a. over de situatie in Syrië en de blijvende aanwezigheid van de franciscanen daar, en de plannen voor verdergaande samenwerking tussen de verschillende franciscaanse instituten. Maar er werd ook een officieel verzoek aan de paus gedaan voor de benoeming van niet-priesters oversten.

Sinds het Tweede Vaticaans Concilie wordt er al gesproken over de regels om niet-priesters een leidinggevende functie te geven in instuten met priesterleden. Zelfs in ordes als die van de franciscanen die sinds hun stichting uitgaan van gelijkheid tussen priesters en niet-priesters. In het verleden het het Vaticaan diverse malen een veto uitgesproken over de benoeming van een broeder als hogere overste van een instituut waarvan de meerderheid van de leden wel priester is, ook als de constituties dat niet verplichten.

D. Hendrickx

Achtergrond

De vraag is volgens volgens abt Denis Hendrickx van de Norbertijnen terug te voeren op de wezenlijke discussie over het essentiële van volwaardig lidmaatschap van een religieus instituut. 'Door professie ben je volwaardig lid van een religieuze gemeenschap en juist dat element dient volgens mij het uitgangspunt te zijn om de dienst van de leiding toe te vertrouwen,' schrijft hij op katholiek.nl  'Een al dan niet priester zijn is meer een afgeleide, een ambt dat je bekleedt. Het ene religieuze instituut heeft daar in de loop van haar soms lange geschiedenis meer nadruk op gelegd dan het andere.'

Onderscheid

Priesterschap, inordening in een kerkelijk ambt, staat officieel gezien los van het leiding kunnen geven aan een religieuze gemeenschap. Het is nog niet zo lang geleden dat er in de dagelijkse beleving groot onderscheid werd gemaakt tussen priesters en niet-priesters binnen een religieus instituut. Gelukkig is dat grote onderscheid meer en meer opgeheven. Begrijpelijk en terecht komt dan ook de vraag op of leidinggevende functies daarom ook niet aan volwaardige leden van een gemeenschap kunnen worden toevertrouwd zonder de vraag van het kerkelijk ambt daarbij te betrekken.

Discussie

Natuurlijk is het duidelijk dat veel aspecten van de organisatie van een orde of congregatie met deze vraagstelling ter discussie staan. Mijn eigen orde bijvoorbeeld van de Norbertijnen is in de loop van de tijd – en eigenlijk vanaf den beginne in de twaalfde eeuw – een echte priesterorde geworden. Dat laat echter onverlet dat het uitgangspunt van de dienst, van de leiding niet veranderd zou kunnen worden. Dat er dan nogal wat consequenties aan verbonden zullen zitten is een andere vraag. De vraag welke door de Franciscanen officieel is aangekaart en nu aanleiding is voor een pleidooi van het Vaticaanse departement voor de religieuzen om er serieus naar te kijken is erg boeiend. Het wezenlijke, het eigene van een religieuze gemeenschap krijgt meer aandacht en er wordt enige afstand genomen van inordening in de kerkelijke hiërarchie. De discussie is overigens niet alleen interessant voor religieuze gemeenschappen, maar eigenlijk voor heel veel andere onderdelen van religieus en kerkelijk leven. In de kerkelijke organisatie neemt het gewijde ambt een wel heel centrale plaats in en het is maar de vraag of daar zo nadrukkelijk van uit gegaan dient te worden.

Eindverantwoordelijkheid

Om wat dichter bij huis te blijven: bij de reorganisatie van onze geloofsgemeenschappen – de parochies – wordt er door de kerkelijke leiding vanuit gegaan, dat alleen bij een priester de eindverantwoordelijkheid op de schouder gelegd kan worden.  Deze wel erg klerikale benadering kan in tijden van toenemende gelijkwaardigheid en gelijkheid van mannen en vrouwen moeilijk zonder sterke argumenten overeind gehouden worden, want eerlijk gesteld, ik zie en voel die sterke argumenten als ze er al zijn niet of nauwelijks.