Zuster Paula en het woonwagenkamp

Gepubliceerd op: 17-8-2015 om 07:40 door Paula Pijnaker. Bron: De Heeriaan

'S-HERTOGENBOSCH - Religieuzen zijn uit ons straatbeeld verdwenen. Dat betekent niet dat ze ook gestopt zijn met werken in de maatschappij. Weliswaar niet meer in groten getale zoals vroeger, maar toch. De zending is onlosmakelijk met religieuzen verbonden. Zij willen Zijn liefde uitdragen tot de laatste snik.

Zuster Paula Pijnakker van de Zusters van de Choorstraat is zo'n zuster, die doorgaat.  Al 22 jaar komt ze graag bij woonwagenbewoners over de vloer. Ze typeert deze mensen als ''vreemdeling in eigen land''. In onderstaande bijdrage schrijft zij over ''haar'' mensen.

De levensstijl van woonwagenbewoners is anders dan die van de doorsnee Nederlander en dus worden zij niet gemakkelijk geaccepteerd. Zij zijn namelijk van origine, trekkers. Vandaar dat zij niet in huizen wonen, maar in ‘(woon)wagens’. De wagens lijken wel vakantiehuisjes, maar ze staan niet vast in de grond. Zij staan op tegels of bielzen. De wielen liggen los onder hun wagens. Zij hebben er alleen schotten omheen gezet, zodat je dat niet kunt zien.

De meeste bewoners gebruiken niet de hele wagen, maar slechts een klein gedeelte ervan. De overige ruimte wordt gebruikt om mooie spullen te etaleren, zoals porselein en sierpoppen. De woonwagenbewoners leven liever samen in een kleine ruimte, dicht bij elkaar. Daar wordt alles besproken, daar wordt ruzie gemaakt, samen koffie gedronken en samen gegeten.

Ze eten met een (diep) bord op schoot en bij mooi weer zitten ze buiten of op het trapje aan de voorkant van de wagen. Ze eten niet met mes en vork. Eén mes voor allemaal, maar wel heeft iedereen een eigen vork of lepel.

Het woonwagenkamp

De meeste bewoners leven van een uitkering of hebben geen inkomen. Men handelt veelal in tweedehands auto’s en oud ijzer, enkele vrouwen doen thuiswerk. Deze groep mensen bezoek ik regelmatig als pastoraal medewerkster. Ik bezoek altijd eerst de oudste bewoners. Op het kamp is ‘opoe’ nu het oudst, want ‘opa’ is overleden. Voordat ik de wagen binnenga, doe ik mijn schoenen uit, zoals alle bewoners dat doen. De wagens zijn heel schoon van binnen. De bewoners zijn zeer gastvrij. Er wordt altijd ruim voldoende gekookt, zodat een (onver-wachte) gast altijd mee kan eten. Je wordt er verwelkomd met een kopje koffie. Suiker en melk zit er al in en opoe heeft ook al voor je geroerd met één lepeltje dat gebruikt wordt voor alle aanwezigen. Er wordt geen schoteltje gebruikt. De eerste keer toen ik hen bezocht, kreeg ik wel een kopje met schoteltje en lepeltje en ik mocht er zelf suiker en melk in doen. Maar bij het tweede bezoek was dat afgelopen; ik was geaccepteerd.

Onze gesprekken gaan over alledaagse dingen, maar ook over verdriet, geloof, angsten en bijzondere gebeurtenissen. Meestal hoef ik alleen maar te luisteren. Ik bezoek alle wagens apart, ook al heb ik sommige bewoners al bij opoe ontmoet, elk gezin stelt het toch op prijs om mij persoonlijk te ontmoeten. Ik mag niemand vergeten. Zo gebeurde het eens, dat ik een verjaardagskaart klaar had liggen voor een van de bewoners, maar die nog niet verstuurd had. Op de avond van de verjaardag werd ik opgebeld met de vraag, waarom ik geen kaart had gestuurd! Ik heb dat natuurlijk onmiddellijk goed gemaakt.

Woonwagenkamp

Het woonwagenkamp

Veel kinderen heb ik in de loop der jaren geholpen bij hun huiswerk. Als het nodig is, doe ik dat nog steeds. Ik ben ook op schoolbezoek geweest. Jammer genoeg komt er nooit iemand van school bij de bewoners. Voor het eerst gaat er nu een kind mee op schoolreisje. De kinderen worden nauwelijks uitgenodigd voor een verjaardagspartijtje. Er zijn jammer genoeg nog veel vooroordelen bij de ouders van hun klasgenootjes.

De woonwagenbewoners vereren Maria zeer. Op het kamp staat een grote grot voor Maria. (Bijna op ieder kamp staat een Mariagrot). Bij ons is deze grot het hele jaar verlicht met kerstlichtjes en versierd met echte en met kunstbloemen, maar ook met kaarsen meegebracht van een bedevaartsoord. Zij gaan namelijk ook op bedevaart naar bijvoorbeeld ‘Het Zand’ in Venlo. Daar wordt Maria bezocht, worden kaarsjes aangestoken en op hun eigen manier wordt er gezongen en gebeden.

Als er een kindje geboren is, moet het zo vlug mogelijk gedoopt worden, ook al komen ze bijna nooit in een kerk. Drie kindjes werden gedoopt door een pastoor uit een nabij dorp, die hen accepteerde zoals zij leven en zoals zij zijn. Na de doopplechtigheid wordt het kindje letterlijk aan God opgedragen, door het kindje los op het altaar te leggen. De vader en moeder staan voor het altaar en bidden in stilte. Daarna komen opa en opoe en doen hetzelfde. Alles gaat heel eerbiedig. Dan mogen alle aanwezigen om beurten voor het altaar staan en het kindje vasthouden en een kruisje geven. (Ik vond dit heel indrukwekkend en moest denken aan de opdracht in de tempel). Daarna gaan ze naar het Maria-altaar en wordt het kindje ook aan Maria opgedragen.

De eerste communie is geheel anders. Dat lijkt meer op een bruiloftsfeest. Het meisje draagt een bruidsjurk en de jongen is net een bruidegom. Verder is het meer een feest voor de volwassenen, met heel veel muziek. Men troost elkaar bij verdriet of ziekte. Als een van onze bewoners ziek thuis ligt of in het ziekenhuis, dan ga ik hem of haar daar bezoeken. Dit doe ik dan naast het gewone bezoek. De bewoners zijn zeer angstig voor de dood, maar ook voor ziektes. Het woord ‘kanker’ wordt niet gebruikt. Ze noemen het ‘die enge ziekte’.

Woonwagenbewoners zijn vaak luidruchtiger dan de doorsnee Nederlander, daar moest ik erg aan wennen. En soms lijken hun manieren wat anders, maar ze hebben een klein hartje. Ik heb sommigen van deze mannen zien huilen. Dan breekt je hart, juist omdat ze altijd zo stoer menen te moeten zijn.

Ik heb indrukwekkende ervaringen beleefd, die ik zelf ‘heilige momenten’ noem. Dat was bij een stervende. Het raakt je ook diep als een van de bewoners onder de viering op de trekharmonica van de overledene gaat spelen, heel eerbiedig, maar vol overgave!

Als een gestorvene begraven is, gaan de bewoners elke dag het graf bezoeken. Ze zitten er dan urenlang, heel stil, ook als het regent of erg koud is. En het graf wordt zeer zorgvuldig onderhouden. Zij rouwen nog echt en kennen een rouwperiode, waarin bijvoorbeeld de radio of televisie niet aangaat, er geen feesten zijn, en het ook niet is toegestaan om luid te spreken op het kamp.

Ik heb veel geleerd van de woonwagenbewoners. Vooral de gastvrijheid en het samen delen. Ik kom al bijna 22 jaar bij deze mensen en nog altijd ga ik iedere week heel graag naar hen toe. Een van de kinderen zei tegen mij: ‘Opoe woont in de wagen en jij bent onze oma, want jij woont in een huis’. Dit vond ik een groot compliment en een van de mannen zei: ‘Zuster Paula hoort bij het meubilair, ze hoort bij ons’. Geweldig toch!

Oma Paula

‘Oma’ Paula tussen enkele woonwagenbewoners

Ik ben van deze mensen gaan houden. Ik kom niet om ze te zeggen wat ze fout doen, ik kom als een vriendin, die hun mooie kanten ziet, ondanks wat anderen denken of vinden. Zij zijn mijn medemensen, mijn naasten.

En weet u, mocht Zuster Til, mijn medezuster en vriendin, er niet meer zijn, dan is er voor mij een plekje gereserveerd op het woonwagenkamp. Er staat een eigen wagen voor me klaar. Is dat niet prachtig? Dat zijn nou mijn vrienden!