Missionarissen in Kenia

Gepubliceerd op: 9-6-2015 om 09:13 door Eric van Teijlingen. Bron: Samen Kerk mei/juni 2015 4/5

KISUMU - Gerard Kraakman mhm en Gerard Mooij mhm, beiden afkomstig uit West-Friesland, zijn hun hele priesterleven al werkzaam in Kenia.

In een uitgave van het Bisdom Haarlem-Amsterdam is een omvangrijk artikel aan hun leven en werken gewijd. Het begon allemaal tijdens de gezamenlijke opleiding in Hoorn aan het  St. Bonifatius missiehuis van Mill Hill, een kleinseminarie voor jongens van boven de rivieren die missionaris wilden worden. 

Hoorn 

Pater Gerard Mooij (75) herinnert zich Hoorn nog goed: “Het was er best wel streng, maar je accepteerde dat in die tijd. De dag was gereguleerd, op schema, en er heerste discipline. We sliepen in celletjes op een grote slaapzaal, met een gordijntje als deur. Iedere avond moest je een eigen wasbekken met water vullen zodat je je de volgende ochtend kon wassen. In de winter gebeurde het regelmatig dat het water de andere ochtend bevroren was.” “Dat was op zich ook wel weer lachen, als je om je heen het ijs gekraakt hoorde worden”, vult pater Gerard Kraakman (73) lachend aan.

Allebei zijn ze het er over eens dat het eten er goed was en voldoende. Ze kijken terug op een fijne tijd daar tussen de ongeveer 120 leerlingen van dit kleinseminarie. “Je ontdekte al gauw de stelregel dat hoe minder je opviel hoe gemakkelijker je door kon gaan. Kijk, overdag was het verboden om op je cel te zijn, dat mocht niet. Overigens mocht je op de slaapzaal ook niet praten. Maar als iemand overdag daar gesnapt werd, bij een tweede keer vloog je eruit... Als je gesnapt werd natuurlijk!”, zegt Mooij met een ondeugende blik.

Zowel Kraakman als Mooij gingen naar Mill Hill met de notie om missionaris te worden en priester. “Bij mijn plechtige communie moest je op een briefje opschrijven wat je wilde worden. Ik schreef ‘missionaris’ op”. Hoe was deze roeping ontstaan? Mooij antwoordt als eerste: “Ik had een dorpsgenoot pater Jan Molenaar, die was ook van Mill Hill. Ik vond hem inspirerend. Mijn ouders vonden het goed en mijn moeder vond Hoorn geruststellend dichtbij. Daarnaast had ik ook een boekje gekregen over Mill Hill met op de voorkant een foto van een pater met een flinke baard in een toog en de rode sjerp van Mill Hill op een motorfiets. Dat leek mij wel wat”. Ook Kraakman herinnert zich zo'n boekje, dat hij in de zevende klas op school vond. “Ik wilde eigenlijk geen pastoor worden in een Nederlandse parochie, liever ergens Broeder in de missie. Zo kwam ik tot mijn keuze naar Hoorn te gaan met de zegen van mijn ouders”.

Priesterschap 

Nadat de paters het kleinseminarie in Hoorn hadden afgerond gingen ze naar het grootseminarie, twee jaar filosofie in Roosendaal en aansluitend vier jaar theologie in Mill Hill, een voorstadje van Londen, waar het hoofdkwartier gevestigd was van de Saint Joseph Missionaries of Mill Hill (in 1866 aldaar gesticht door kardinaal Herbert Vaughan van Londen). De studies werden afgerond met de diaken- en priesterwijding. Mooij: “Ik ben in de zomer van 1965 door kardinaal J. Heenan priester gewijd in de kathedraal van Westminster, Londen. Tot 1964 mochten er van de Orde slechts zes familieleden erbij aanwezig zijn, maar bij mij was die regel opgeheven en kwamen maar liefst 28 familieleden als mijn ouders en broers en zussen naar Londen. Het was een prachtige dag. Ik kom uit een hecht gezin van elf kinderen en mijn vader was tuinder. Ik vond het fijn dat ze erbij waren.” De ouders en familie (twaalf kinderen) van pater Kraakman - zijn vader was kruidenier - hoefden niet meer naar Londen af te reizen. Inmiddels was besloten dat iedere kandidaat in zijn eigen parochiekerk werd gewijd. En zo kwam het dat Kraakman op de vigilie van het hoogfeest van HH. Petrus en Paulus in de kerk van Langedijk door mgr. T. Zwartkruis priester werd gewijd. De priesterzonen en bisdompriesters Jacques Huitema en Dick Duijves, klasgenoten van de lagere school, begeleidden de neomist daarbij.

Naar de missie

Na de priesterwijding volgde onherroepelijk de uitzending naar een missieland. Mooij: “Op de dag van mijn priesterwijding kreeg ik een brief met Kenia erop. Twee maanden later volgde de reisinformatie.” Kraakman: “Ik wist het eerder, toen ik nog in Londen was. Ook Kenia. Nu was daar een missionaris die Swahili sprak. Samen met drie anderen nam ik bij hem taallessen. Maar toen ik in Kenia kwam, eind 1968, ging ik werken in een gebied waar Luo werd gesproken en Swahili niet geliefd was. Ik had dus weinig aan deze taallessen.” Beide paters geven aan dat er sowieso weinig voorbereiding was op een leven in de tropen. 

In respectievelijk 1965 en 1968 vertrekken Mooij en Kraakman naar hun missiepost. Mooij: “Ik ging eerst naar Marseille. Vandaar met de boot naar Mombasa en dan met de trein naar Kisumu. Een hele reis dus, maar geweldig. De boot heette ‘La Bourdonnais’. We reisden met acht Mill Hill’ers en ‘s avonds werd er gekaart. Ik had samen met Jan Klaver uit Alkmaar een kajuit. Ik herinner mij nog dat er onder in het schip een groep soldaten van het Franse Vreemdelingenlegioen was en dat ze niet aan dek mochten.”

De reis naar Kenia verliep voor Kraakman heel anders. Ook op dit punt was het beleid veranderd. Hij mocht alleen reizen en met het vliegtuig... maar wel met de goedkoopste vlucht. Dus vloog hij van Schiphol naar Rome, dan naar Caïro in Egypte, vervolgens naar Adis Abeba in Ethiopië en dan door naar Nairobi, de hoofdstad van Kenia. Kraakman: “Door omstandigheden werd het alsnog een wereldreis. In Rome moest ik een nacht overblijven. De andere dag heeft een medepater mij de St. Pieterskerk laten zien. Vervolgens vloog ik gepland naar Caïro. We kwamen er twee uren te laat aan. Terwijl wij landden, steeg mijn andere vlucht op. Ik kon pas de volgende dag verder, dus heb ik die dag doorgebracht met het bekijken van de piramides. Ook in Ethiopië had ik een dag extra. Ik kwam dus enkele dagen later aan in Kenia. Op de afgesproken dag en tijd zou Gerard van de Laar mij ophalen, maar ik was er nog niet. Hij belde met de bisschop en zei dat ik er niet was. Die antwoordde: ach, die komt wel. Na aankomst bracht een andere pater mij dezelfde dag nog per auto naar Kisumu. Ruim 450 km in een recordtijd van vier uren. Maar – aldus Kraakman – de weg was net nieuw geasfalteerd en er was weinig verkeer en geen politie, niet zoals nu”.

Het aartsbisdom Kisumu werd het werkterrein voor beide westfriezen. Er werkten toen zo'n honderd Mill Hill'ers, waarvan er velen uit Nederland kwamen en uit ons bisdom als Kees Swart en Simon van de Gulik uit Grootebroek, Niek Konings en Jaap Molenaar uit Volendam, Jan Kemper uit Warmenhuizen, Alwin Meyer uit Amsterdam enz. 

Pater Kraakman was elf jaar werkzaam in Nyanggoma, 22 jaar in Nyamonye en alweer twaalf jaar in Nanga, een dorpje aan het Victoriameer grenzend aan Kisumu. Een deel van de parochie is een sloppenwijk. In de 47 jaar dat hij in Kenia heeft gewerkt, heeft hij naast zijn pastorale en priesterlijk werk ongeveer twaalf kerken en kapellen gebouwd, diverse scholen en klaslokalen en belangrijke voorzieningen voor de mensen. In 2012 werd de nieuwe St. Petruskerk in Nanga door de bisschop ingewijd. In een van de door Kraakman ontworpen en gemaakte ramen is duidelijk de St. Jan de Doperkerk van Langedijk te herkennen. Een herinnering aan thuis, maar ook aan de giften uit de thuisparochie.

Pater Mooij heeft vergelijkbare activiteiten ondernomen. “Ik werd pas later in mijn loopbaan bouwpastoor. In Uyoma moest ik een hele parochie opbouwen met niks en uit het niks. En in mijn tijd in Sega, 15 jaar, heb ik daar vele kerkjes gebouwd. Soms duurde dat jaren, omdat het geld op was om verder te bouwen en er dan eerst gespaard moest worden.” 

Thuisfront

Allebei zijn ze verknocht aan Kenia en zouden niet meer terug willen. Ze houden van het land, van de mensen en hun manier van leven. Toch gingen beide paters regelmatig terug naar huis. Dat was in het begin wel even een kleine schok. Mooij: “In 1970 mocht ik voor het eerst terug naar Nederland. De situatie daar was in vijf jaar tijd helemaal veranderd. Er was opeens rijkdom. De tuinders beleefden gouden tijden en verdienden veel. Iedereen had ook een auto. Ik schrok ervan. Ik vond vijf jaar ook een te lange tijd. Later is dat ook veranderd in drie jaren.” Kraakman: “Dat je zo ver van je familie af zat, was soms best moeilijk. Je kon niet bellen en er was geen internet zoals nu. Je schreef brieven. In 1974 ging ik voor het eerst terug. Wat was ik blij om mijn familie weer te zien. Ik haalde wel een paar van mijn jongere zussen door elkaar want ze waren ondertussen flink gegroeid.” 

MHM

Gerard Kraakman mhm (links) en Gerard Mooij mhm

De band met de familie – beiden komen uit een groot katholiek gezin – is voor beide Gerards altijd hecht geweest. In de loop van de tijd is er veel veranderd. Moderne zaken als internet helpen bij het contact met thuis, waardoor familienieuws sneller bekend is. De paters werkten in Kenia in een Kerk die flink is gegroeid, tientallen kerken hebben ze gebouwd voor het groeiend aantal katholieken, terwijl in Nederland de kerken steeds leger werden en de kerkgangers steeds grijzer. Beide paters betreuren dit. Kraakman: “Hier komen gezinnen, jeugd en jongeren ‘s zondags naar de kerk. Op dinsdag zijn de 400 leerlingen van de middelbare school in de ochtendmis van 6.30 uur en iedere donderdag de ruim duizend leerlingen van de basisschool. Beiden scholen zijn naast de kerk gelegen en Kraakman is een grote sponsor van de scholen door er te bouwen en voor sommigen kinderen het schoolgeld te betalen (nu doet hij dat van zijn AOW). Niet allemaal katholiek, hooguit een kwart, maar allemaal zingen ze mee en zijn ze bij de viering betrokken. Zo anders, ik vraag mij wel eens af wanneer komt de omslag in Nederland?” Mooij vult aan: “Ik denk dat het moeilijk is voor de priesters in Nederland. Ik benijd hen niet. Hier ga je voor je plezier naar de kerk, ook al duurt het meer dan een uur. Waarom? Omdat de liturgie leeft! Er is leven in de kerk met zang en dans en iedereen doet mee. Het hele gezin van kind tot aan oma, opa is in de kerk.” Overigens wordt van een priester niet verwacht dat hij ritmisch meeklapt maar je gaat vanzelf meedoen. Mooij: “Toen ik in 1965 arriveerde was dat nog niet. Toen was alles nog Latijn. Met de volkstaal en -zang kwamen ook de volksgebruiken, hun eigen manier van vieren.”

Terugblik en toekomst

De ene Gerard is 73, de andere 75. Beiden kijken met voldoening terug op hun priesterleven als missionaris in Kenia. En allebei antwoorden ze tegelijk dat de mensen hier voor hen het meest betekend hebben. Pater Mooij is met pensioen en woont in het Mill Hill House in de stad Kisumu. Hij ontvangt er veel bezoekers. Mensen uit de hele wereld, waaronder jongeren van het missieproject ‘Dare2go’ (www.dare2go.nl), maar ook medepaters uit Kenia, Kongo en Uganda die de taken hebben overgenomen. “Zolang ik geen probleem ben voor mijn omgeving blijf ik hier.”, aldus Gerard Mooij. “Ik ga pas weg als ik echt ziek ben”, vult pater Kraakman hem aan. Zo hebben zij hun hart verpand aan de mensen, de Kerk en het land Kenia. Mooij blikt nog één keer terug: “Ik heb mij mijn hele leven altijd zeer gesteund geweten door het thuisfront in Nederland, mijn familie en de thuisparochie”. Kraakman valt hem bij. En zo staan de mannen weer even stil bij dat moment op dat stationnetje, in september nu zestig jaar geleden.

Nog meer lezen?: het volledige artikel in Samen Kerk