De wasbroeder

Gepubliceerd op: 5-2-2015 om 07:46 door anoniem. Bron: D. Hanssens osb

- Het monastieke tijdschrift De Kovel kent de rubriek UITGEHOORD, waarin kloosterlingen vertellen over hun werkzaamheden. In het nieuwste nummer van dit blad komt de wasbroeder aan het woord.

De antwoorden van de wasbroeder op eenvoudige vragen van de interviewer maken de contouren zichtbaar van het beeld dat deze broeder heeft van de wereld, zijn medebroeders en zichzelf. 

1. U vervult een taak die u onmisbaar maakt in de abdij.

Het zijn inderdaad juist de geringste, of laten we zeggen minst gewichtige taken die je nooit kunt elimineren als je kwaliteit wilt handhaven in de communauteit: de routineuze karweitjes in de keuken, het werk in de bakkerij, de klusjes in het gastenhuis, het stipt aanvullen van de huisapotheek, het wieden van onkruid op het voorplein, de job van de refectorist en die van de wasbroeder. Bijna iedereen kan dat soort werk doen, en daarom verdient die ene die alle anderen van de klus vrijstelt omdat hij ze klaart, de medaille van de dienstbare liefde.

Er is slechts één nadeel aan mijn job. Dat je nooit kunt zeggen: ‘het kerkhof ligt vol onmisbare mensen’, als je medebroeder een pluim op je hoed steekt omdat je zijn hemden en beddengoed zo snel – netjes gewassen en gestreken – weer op zijn deurmatje legde. Als een abt of een prior een compliment wegwuift met die ‘kerkhofspreuk’, dan looft iedereen hem om zijn bescheidenheid en onthechting. Debiteer ik het gezegde, dan bekijken ze mij alsof ik de hoogmoed zelve ben. En dat terwijl ik toch echt onmisbare dingen doe! Ik snap het niet, u wel? … Ach, vertel me niet dat ik onmisbaar ben. Zoiets weet ik toch zelf!    

2. De wasserij van het klooster is uw territorium. Bakent u dat domein ook zorgvuldig af in uw gedachten?

En of! Het washuis is even belangrijk en heilig als het abtshuis. Eigenlijk gebeurt in mijn atelier het omgekeerde van wat er in een prelatenhuis plaatsvindt of zou moeten plaatsvinden. En daardoor breng ik het hele klooster in perfecte staat van evenwicht. Ik leg het even uit.

De abt zorgt voor de taakverdeling. Hij verschaft daartoe aan elk van zijn broeders het werkmateriaal en ontvangt na afronding van de taak alle benodigdheden, zonder mankement en in propere staat, om ze door te geven aan diegene die de volgende is in de beurtrol. Ik doe ook zoiets. Alleen wordt bij mij slechts datgene ingeleverd dat door zijn besmuikte staat van dienst niet meer toonbaar is. En bovendien moet ik ervoor zorgen dat het ingeleverde na de was- en strijkbeurt weer bij dezelfde terechtkomt – liefst niet bij de verkeerde. Geloof me, ik hou de boel draaiende en dat terwijl mijn taak veel moeilijker is en het mij niet is toegestaan om iemand een bolwassing te geven als blijkt dat zijn kleren nog altijd niet genaamtekend zijn of dat de labels met wasvoorschriften om god-weet-wat-voor-reden afgerukt werden.

3. Hopelijk is uw bijdrage tot de frisheid van de abdij verder van alle vervelende kantjes, die elke job kent, gevrijwaard.

Dag mag u wel zeggen, ik verveel me nooit! De was doen – het is niet zo makkelijk als de meesten denken. En niets gebeurt bij mij in een handomdraai. Och, waren het maar alleen die lakens en handdoeken van het gastenhuis. Dat is de grootste berg, maar de simpelste karwei. De spulletjes die medebroeders onder hun habijt dragen, daar heb je pas werk mee. ‘t Is allemaal zo divers: fijne was, gekleurde was, precieuze was, fragiele was, zware was. Op het label vind je de optimale wastemperatuur, maar hoe vaak is dat etiket niet door het veelvuldig wassen onleesbaar geworden. Nee, sorteren is geen pretje. En wat na het wassen komt, nog minder. Niet alles kan in de droogkast. En zeker niet door de strijkmachine. Die maakt soms meer valse plooien dan het aantal rimpels in het voorhoofd van onze oude broeder Kamiel.

Over die goede plooien wil ik nog wel iets vertellen. Toen hier ooit een nieuweling zijn verbazing uitdrukte over de superplies die hard staan van het stijfsel, heb ik hem gezegd dat we toch ergens het overschot kwijt moeten dat niet meer gebruikt wordt om de soep te binden. Had die jongen de oorlogsjaren meegemaakt, hij zou helemaal niet raar opgekeken hebben. Maar ik had het verbrod in zijn ogen – in choro et in refectorio. Grappig om hem daarna met uitgestreken gezicht zijn soepkommetje te zien uitlepelen.         

4. U schept plezier in uw werk, als ik het goed begrijp?

Dat zei ik toch al. Ik hou hier gewoon de boel draaiende. En er is niemand die mij de schuld zal geven als er dan toch een haar in de boter zit. Het ergste dat mij kan overkomen is de beschuldiging van gekrompen wasgoed. Maar dan heb ik mijn antwoord al gereed: ‘Man, als je mij kunt vertellen hoe ik op het kortste wasprogramma met de laagste temperatuur al die micro-organismen en huisstofmijten dood krijg, dan wil ik wel eens proberen je wasgoed op een andere manier te behandelen.’ Zijn de kleuren verschoten, dan durft zelfs niemand te mopperen. Dat zou alleen maar bewijzen dat ze de wereldse mens nog niet hebben afgelegd.

O ja, wat ik ook doe, het pakt zelden verkeerd uit. Welke hardwerkende monnik kan zich nu nog in zo’n onkreukbare vreugde wentelen bij het einde van de dag?

   wasbroeder

© foto: AP

5. Dat zijn de kleine pleziertjes van het leven. Maar hilarische gebeurtenissen maakt u toch niet mee bij de uitoefening van uw job?

Ja, dat mis ik een beetje. En toch is er een memorabele historie. Ooit stuurde ik een postulant, die me twee halve dagen in de week een handje toestak, eropuit om de bakwagen met nog niet gestreken witgoed naar het bijgebouw te rijden, waar ik de nieuwe strijkmachine had ondergebracht. Hij moest daarvoor langs de brede gaanderij rond de abdijkerk. Een kwartier later stond hij weer bij mij, met ogen die panisch over en weer schoten.

Wat was er gebeurd? Ter hoogte van de gaanderij, vlakbij de zijpoort, had hij zijn vrachtje in de steek moeten laten, omdat de portier hem verwittigde dat hij aan de telefoon gevraagd was. Toen hij terugkwam, vond hij tien, twaalf vreemdelingen over zijn karretje gebogen. Ze slaakten om beurten een kreet van bewondering. Het karretje kreeg de broeder ternauwernood weer onder zijn hoede, en niet nadat iemand hem streng vermaand had: “Die readymade staat hier goed!” En toen schoot het door mijn hoofd: er vond die dag een expo plaats in de gaanderij, met dure werken rond het thema eenvoud. Echt gebeurd! … Tja, onderbroeken hebben geen artistieke duiding nodig om eenvoudig te zijn, kunstwerken wel.

6. Welke raad zou u willen geven aan uw opvolger?

Maak je geliefd door dingen die je in de broekzakken vond, op de stapel wasgoed te leggen.

7. Doet u dat zelf altijd?

Ja, behalve als het om bankbiljetten gaat. Die investeer ik in wasverzachters en vlekkenbestrijders – spulletjes die ik zelf moet kopen omdat de cellerier er het nut niet van inziet. Noem dit gerust witwaspraktijk. Maar ze komt dan wel iedereen ten goede, hè!

Reacties op de inhoud van deze rubriek zijn welkom op redactie@dekovel.org.
Meer informatie over het blad

Het interview met de Wasbroeder verschijnt samen met andere interviews komend najaar bij Uitgeverij Royal Jongbloed in de verzamelbundel Uitgehoord. 21 kloosterjobs uit de doeken gedaan. Met illustraties van de hand van zr. Cécile Meindersma osb (O.L.Vrouweabdij Oosterhout).