Opdat wij niet vergeten

Gepubliceerd op: 20-11-2014 om 10:03 door Paul de Vries scj. Bron: SCJ-CONTACT extra editie

CONGO - In de grote chaos na de vrijwel onvoorbereide onafhankelijkheid van Congo werden velen slachtoffer, Congolezen, Belgen, Europeanen. In verschillende congregaties wordt dit najaar herdacht dat vijftig jaar geleden een groot aantal missionarissen onder wie veel medebroeders en medezusters gedood zijn.

De priesters van het Heilig Hart (SCJ) verloren in 1964 28 medebroeders. Als eerbetoon, ter herinnering, als een verhaal dat niet verloren mag gaan, hebben zij een bijzonder nummer van hun contactblad gepubliceerd Daarin vertellen zij in grote lijnen wat er destijds is gebeurd.

Pater Paul de Vries scj schrijft in het redactioneel van SCJ-CONTACT: Ook na zoveel jaren blijven er veel vragen onbeantwoord, vragen die leven bij overlevenden en speciaal nu ook bij familieleden: hoe kon dit gebeuren? Had men in Europa dan geen vermoeden van wat zich in Congo afspeelde? Hadden de verantwoordelijken dan niet moeten wachten met het sturen van nieuwe, jonge missionarissen? Hoe dachten medebroeders in Congo die er al jaren woonden en leefden, over de risico’s van hun verblijf daar?Met die vragen blijven wij achter.

Onderstaand een ingekorte versie van het inleidende artikel uit de special van SCJ-contact. Het volledige blad is online te lezen.

De situatie in Congo

Belgisch Congo was een enorm grote kolonie in het hart van Afrika. Rijk aan grondstoffen en mogelijkheden. De katholieke Kerk was er werkzaam en speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de inlandse bevolking. Wel met -zeker van nu uit gezien- twee gezichten: samenwerkend met de koloniserende Europeanen, speciaal ook de overheid, maar tevens vanuit een eigen verantwoordelijkheid voor de mensen daar. Onze medebroeders waren er werkzaam vanaf 1897, in de Oostprovincie, met als centrum de lokale hoofdstad Stanleystad (momenteel: Kisangani). Meest Belgen en Nederlanders; van de Belgen was dat vrijwel hun enige missiegebied. Populair bij velen die missionaris wilden worden, misschien ook wel door de romantiek van een ‘echt’ missiegebied. Het ging om twee bisdommen in het oosten: Stanleystad en Wamba. Rond 1960 was er nog amper sprake van een inlandse clerus. Er waren 151 SCJ-missionarissen, onder wie 65 uit Nederland, 33 uit Vlaanderen en 32 uit Luxemburg/Wallonië.

Het koloniale bestuur was lange tijd amper gericht op het voorbereiden van zelfbestuur. De Belgische overheid kreeg geen gelegenheid meer om ‘bij de tijd te komen’. Congo was niet voorbereid op de onafhankelijkheid en de problemen waren ongekend, alleen al door de omvang van het land en de vele volkeren die alleen bijeen gebracht waren vanwege het ene koloniale bestuur. Al gauw ging het dan ook mis. Het centrale bestuur had in gebieden ver van de hoofdstad zoals Katanga, de Oost-Congo, Kivu, amper gezag. Afscheidingen vonden plaats, staatsgrepen, de eerste premier Patrice Lumumba werd afgezet en later vermoord (1961). Het nationale leger (ANC) onder in der haast benoemde amper opgeleide officieren ging zich te buiten aan moordpartijen, plunderingen en verkrachtingen. Vanuit België werd her en der ingegrepen om eigen mensen te evacueren en belangen veilig te stellen. De Verenigde Naties probeerden te bemiddelen om verdere chaos te voorkomen.

De Kerk in Congo kreeg hier ook mee te maken. Kort voor de politieke onafhankelijkheid in 1960 werden de vicariaten Stanleystad en Wamba verheven tot aartsbisdom en bisdom, met Europese bisschoppen (de scj’ers Kinsch en Wittenbols) maar met Congolese vicarissen (respectievelijk Fataki en Agwala). Zo richtte onze congregatie, in de sfeer van de recente onafhankelijkheid, een eigen Congolese provincie op in juli 1964, wel met een Nederlandse provinciaal, pater Joep Geurts. Missionarissen die gevaar liepen vanwege hun optreden in het verleden, werden teruggeroepen naar Europa. En er werden ook jonge medebroeders (in 1962 vooral) naar Congo gestuurd.

De rebellen in Oost-Congo

In die verwarde situatie ontstond de rebellenbeweging van de Simba’s (Leeuwen), die in 1964 in korte tijd grote delen van Oost-Congo veroverden. Op 5 augustus 1964 kregen zij Stanleystad in handen. Toen op 24 november Stanleystad was ‘bevrijd’ werd de nederlaag van de Simba's tevens de aanleiding tot de moorden op onze medebroeders. Het ‘bestuur’ van de Simba’s in Stanleystad was een schrikbewind.

Lijken op de oeverLijken op de oever

Op 14 november werden de paters Jean Trausch en Schuster en broeder Joseph Vanderbeek samen met enige zusters en andere blanken gevangen genomen. Ze werden mishandeld en op 23 november werden de religieuzen overgebracht naar de Linkeroever. Naar de gevangenis werden later ook andere medebroeders overgebracht (uit Yanonge). Op 25 november werden zij allen zonder enige aankondiging doodgeschoten. Alleen pater Schuster werd wel geraakt, maar bleef in leven; hij wist later te ontkomen. Een dag later werden de lijken ontdekt door de huurlingen. Ze kregen een eervolle begrafenis. Het betreft de Nederlandse paters Henk van der Vegt, Frans ten Bosch, Harrie Verberne en Gerard Nieuwkamp en broeder Damianus Brabers. Verder de Luxemburgse pater Jean Trausch en de Vlaamse broeder Joseph Vanderbeek. Bij de Sacramentskerk werden vermoord de Luxemburgse paters Jozef Conrad en Amour Aubert en de Vlaamse broeder Aloysius Paps. Zij zijn ter plaatse begraven. Ook op 25 november werd in Banalia, na enige dagen van gevangenschap en mishandeling, pater Herman Bisschop doodgeschoten en in de rivier de Aruwimi geworpen. In 1966 werd zijn lichaam teruggevonden en plechtig begraven.

De Simba’s hadden zes paters, een broeder en elf zusters van Bemili, Batama en Bafwasende opgesloten in de gevangenis van Bafwasende. Op 27 november zagen de zusters hoe de paters Jan de Vries, Hendrik Hams, Piet van den Biggelaar, Nol Schouenberg, Jean Slenter, Wiel Vranken en broeder Wim Schouenberg  door de rebellen werden meegenomen. Kort daarop hoorden zij de executie van de missionarissen. Van hen is niets teruggevonden. Op 19 december werden de zusters bevrijd.

Toen op 24 november Stanleystad voor de Simba’s verloren ging, koelden die hun woede op de missionarissen. Zij werden gedwongen om blootsvoets naar de gevangenis te lopen en op allerlei wijzen vernederd en gemarteld. ’s Nachts werden bisschop Wittebols en zeven Belgische scj’ers van hun bed gelicht. ’s Morgens werd de bevolking opgeroepen te komen kijken naar de executie: in korte broek moesten de missionarissen op de grond gaan zitten en werden een voor een doodgeschoten. De lijken werden verminkt en later in de rivier gesmeten. Het betrof: bisschop Joseph Wittebols, de paters Karel Bellinckx, Christiaan Vandael, Jeroom Vandemoere, Leo Janssen, Clemens Burnotte, Jaak Moreau en broeder André Laureys. Allen dus Belgische scj’ers.

SCJ Congo aankomst in Amsterdam

Aankomst Congo-missionarissen uit Wamba in Amsterdam. Zij werden ontvangen door onder andere minister president Marijnen (links). Derde van links is pater kees van Beek scj.

Vertrek uit Congo

Al voor de aanval van de Simba’s in augustus 1964 waren er missionarissen teruggekeerd naar Europa, vanwege bedreigingen of omdat hun het werk onmogelijk werd gemaakt. In 1961 was pater Sjef Tegels al vermoord, wat veel indruk had gemaakt. Er waren in augustus 1964 elf Nederlandse missionarissen op vakantie.

Na de bevrijding, toen men op de hoogte was gekomen van wat zich had afgespeeld of na wat men zelf van nabij had meegemaakt, gingen vrijwel alle missionarissen terug naar Europa, vaak hals over kop. Velen hebben hun leven lang de gevolgen moeten ondervinden van de verschrikkingen die ze hebben meegemaakt. Men ging eerst naar zijn familie of een van onze kloosters. Er werd besproken wat ze verder wilden gaan doen. Een deel van hen is later weer teruggegaan naar Congo, maar anderen hebben in Nederland of daarbuiten een ander pastoraal werk gevonden.

Medeleven

Langzaam drong het in de wereld door welk drama zich in Congo voltrok. Natuurlijk was de Belgische regering al snel op de hoogte: er waren in Congo nog veel Belgen en Belgische bedrijven.  De Nederlandse regering was er niet zo bij betrokken. Provinciaal Gijs Bakker moest in Den Haag aan de bel trekken om de regering op de hoogte te brengen dat er ook Nederlanders onder de slachtoffers waren. Minister Luns ging persoonlijk naar Brussel toen een groep gevluchte missionarissen daar aankwam.

Van kerkelijke zijde was er veel medeleven. In alle parochies waar men een vermoorde missionaris had te betreuren werd een eucharistieviering gehouden. Het was de taak van vooral de provinciaals om bij de familie van de overledenen de verschrikkelijke boodschap te brengen aan ouders, broers, zussen en andere familieleden dat hun zoon, broer, neef was vermoord. Voor velen niet te bevatten…

Tenslotte

Het lot van één van de missionarissen is wel heel bijzonder geweest: van pater Fons Strijbosch. Omdat men niets meer van hem hoorde werd verondersteld dat ook hij vermoord was. Maar toen kwam er bericht dat hij door de rebellen op hun vlucht was meegenomen. Drie jaar heeft hij met hen door de brousse moeten meetrekken en hun leven moeten delen. Totdat hij uiteindelijk werd bevrijd.

Een tragedie was het, dit verhaal. Maar momenteel telt onze Congolese provincie zo’n 95 medebroeders, onder wie bijna 40 procent in de opleiding. De laatste van onze missionarissen is kortgeleden definitief teruggekeerd naar Europa: pater Martien Konings. Een periode is dus afgesloten, maar er is toekomst, ondanks de moeilijke situatie waarin Congo zich nog steeds bevindt.